Addy van den Krommenacker was de vijftig voorbij toen hij couturier werd. Dertien jaar later is hij wereldwijd gevierd. De Brabander wist al op jonge leeftijd dat hij veel geduld en doorzettingsvermogen zou moeten betrachten.  

 

Les 1 Je moet het zelf rooien

 

“Mijn jeugd is niet altijd makkelijk geweest. Ik was een einzelgänger, wist al vroeg dat ik anders was. Ik heb het nu niet over mijn geaardheid, want daarmee was ik toen nog helemaal niet bezig, maar doel op de stoere jongens bij ons in Uden. Die speelden buiten, trapten de hele dag tegen een bal, terwijl ik het liefst prinsesjes tekende en van dansen en zingen hield. Ik verzamelde teddyberen. Die nam ik heel trots mee naar school om te laten zien. Ze werden gewoon vernield, net als de Delftsblauwe beeldjes die ik van mijn opa had gekregen. 

 

Ik heb altijd heel hard mijn best gedaan om in de pas te lopen. De kaders van die tijd in katholiek Brabant ervoer ik als een knellend keurslijf. Daar voelde ik me natuurlijk helemaal niet prettig bij. Mijn ouders zagen dat niet, die hadden geen idee. Ik heb ze dat nooit kwalijk genomen. Ze hadden het ontzettend druk. We waren thuis met zes kinderen en mijn ouders werkten allebei heel hard. Mijn vader had een groot schildersbedrijf, mijn moeder bestierde een winkel aan huis, een soort bazaar waar werkelijk alles te koop was. Thuis was voor mij geen veilige haven. Mijn moeder liep voortdurend van de keuken naar de winkel en terug en de knechten van mijn vader liepen ook in en uit. En iedereen liet altijd de deuren open staan. Vreselijk vond ik dat. Ik had geen eigen, beschermde plek.

 

Als jongetje wist ik al: ik moet het zelf rooien. Dat heeft me heel sterk gemaakt. Die tijd was ook echt een andere tijd. Ik vind dat ouders nu wel érg bezig zijn met het geluk en welzijn van hun kinderen. Overdreven soms. Ik denk wel eens: ik ben toch ook goed terechtgekomen?”

 

Les 2 Deel emoties

 

“Ik was 25 toen ik uit de kast kwam. Dat ik gay was heb ik heel lang weggestopt. Ook voor mezelf. Ik had zó met mijn ouders te doen. Mijn broers waren ook al anders dan zij graag hadden gezien. Eentje was kunstenaar, met lang haar, en een leven met feesten en veel alcohol, een andere broer kreeg maar geen verkering en spoot graffiti op de muren.

 

Toen ik in 1975 voor het eerst verliefd werd op een jongen wilde ik het wel echt aan iedereen vertellen. Thuis verliep dat moeizaam. Mijn moeder huilde alleen maar en mijn vader zei dat dat toch niet hoorde. Hij was ook bang voor wat de mensen ervan zouden denken. Ik heb hem dat toen wel kwalijk genomen. Met mijn moeder heb ik het er later vaak over gehad. Voor hen was de schok destijds heel groot geweest. Ze kenden het fenomeen eigenlijk niet, en het was voor hen een absurde gedachte dat het zo dichtbij was geweest, al 25 jaar.

 

Mijn vader is vroeg gestorven. Van mijn moeder heb ik begrepen dat hij altijd bang was dat ik niet gelukkig zou worden. Dat heb ik dus ook nooit geweten, want emoties toonde mijn vader niet. Hij wilde nooit huilen, ergens dieper op ingaan kon hij niet. Als mijn moeder een prachtige jurk aan had, dan zei mijn vader: ‘moet je naar een feest?’ Mijn moeder vatte die vraag op zoals hij was bedoeld: als een compliment. Ik ken wel meer mensen die via een omweg praten. Ik heb daar een hekel aan. Ik zeg de dingen liever rechtstreeks. In mijn relatie gaat dat prima. En de dingen delen, daar zijn mijn vriend en ik goed in. Als het allemaal lekker gaat, maar ook als het minder loopt.”

 

Les 3 Volg je eigen pad

 

“Als kind was ik zeer gelovig. Ging ik een keer niet naar het lof, dan voelde ik me schuldig. Ik biechtte vaak, sloeg meteen aan het bidden als ik iets deed waarvan ik dacht: dit hoort niet, dit mag niet. Toen ik 13 was, ben ik naar het seminarie gegaan, als voorbereiding op de priesteropleiding. Dat seminarie zat verderop in onze straat, maar ik mocht maar drie keer per jaar naar huis. Mijn moeder zag ik af en toe, als ze voor de was kwam. Ik was zó met dat geloof bezig, ik dacht: wie weet is het wat voor me. Maar ik vond het vreselijk. Mijn ouders wilden dat ik op het seminarie bleef. Toen ben ik weggelopen. Ik heb de fiets gepakt, naar het andere eind van de wereld. Dat bleek helaas Veghel te zijn, acht kilometer verderop. Gelukkig zei de rector na een half jaar: ‘Addy is echt niet geschikt.’

 

Mijn vader had graag gezien dat ik de schilderszaak overnam. Ik heb hem voorzichtig duidelijk gemaakt dat het daar niet van zou komen. Maar toen ik me na de ULO wilde inschrijven voor de kunstacademie, staken mijn ouders daar een stokje voor. Ik heb toen bij mezelf besloten: mijn tijd komt nog wel. Ik volg mijn eigen pad, ik moet gewoon veel geduld hebben. Het heeft ook heel wat jaren geduurd, maar inmiddels ben ik er zeker van dat ik goed ben in wat ik doe. Ik hoef niet meer te vechten tegen wat ik niet ben. Ik zeg het ook tegen mijn stagiaires: ‘er komen tegenslagen, maar blijf altijd in jezelf geloven.’” 

 

Les 4 Blijf dicht bij jezelf

 

“Rond mijn veertigste heb ik een flinke dip gehad. Er was gedoe met een zakencompagnon en daarna moest ik helemaal opnieuw beginnen. Ik was in die periode ook een beetje vakmoe, dreigde mijn drive kwijt te raken. Eigenlijk was ik vooral niet tevreden met mezelf. Ik vond dat ik nog te weinig met mijn talenten had gedaan. Toen ben ik gaan reizen. Een paar keer per jaar ging ik in mijn eentje weg, een paar weken trekken door India en China, naar de Galapagos-eilanden.

 

Mede door mijn reizen heb ik mijn vakmanschap opnieuw ontdekt. De verkoop van Gucci en Versace was commercieel natuurlijk heel interessant, maar dat interesseerde me niet zo. Ik vond Valentino te braaf en Dolce & Gabbana te heftig. Ik wilde het ánders: vrouwelijk, elegant, nooit over the top, met de nadruk op iemands sterke kanten. In Italië kwam ik een vrouw tegen die tegen me zei: ‘al dat geklaag van jou, ga dan zélf weer ontwerpen.’ Zij bracht me naar een atelier en daar ben ik met een paar kanten tops en blouses begonnen. Er stond dan geen Valentino in, maar die eerste stukken liepen zó goed dat ik binnen een jaar een hele collectie had gemaakt.”

 

Les 5 Maak de dingen niet groter dan ze zijn

 

“Mijn leven kent veel hoogtepunten, maar dieptepunten zijn er ook geweest. Momenten waarop ik dacht: ik weet echt even niet hoe het verder moet. Toch raak ik nooit in paniek. Ik kan gelukkig ook goed relativeren. Dat is karakter, maar het komt ook doordat ik veel sport. Dat doe ik elke ochtend, al dertig jaar. ’s Nachts kan ik wel liggen piekeren: als de klant de jurk maar mooi vindt. Of: stel dat ze op de sleep gaat staan. Maar dan sta ik de volgende ochtend in de sportschool en dan denk ik: ach, waar gaat het nou eigenlijk over?

 

Alleen zijn helpt ook. Ik heb dat erg nodig. Een paar dagen per week zit ik in Milaan. Ik spreek daar nooit met iemand af. Ik eet ’s avonds alleen. Het is na die dagen heerlijk thuiskomen, hoor. Dan heeft Bas lekker gekookt en dan praten we bij. Dat vind ik echt heel fijn.”

 

Les 6 Addy is Addy

 

“Op de ULO was ik totaal in de ban van Cilla Black. Zij had in die tijd megahits met Anyone who had a heart en You’re my world. Wát een stem en wat een persoonlijkheid, hoe zij op dat podium stond... Ik moest en zou haar ontmoeten. Dus verzon ik een fanclub en schreef ik Cilla een brief, dat ik graag een interview wilde voor het blad van die fanclub. Ik was 16 en was nog nooit in het buitenland geweest. Mijn moeder vond het helemaal niks, maar ik nam toch gewoon de boot. Cilla trad op in Blackpool. Het zag er zwart van de fans. Opeens zwaaide de deur open: ‘Addy, where is Addy from Holland?’ Iedereen keek om en ik schreed naar binnen. Cilla was fantastisch. Ze vroeg hoe veel leden de fanclub had. ‘Eh... Thirteen’, zei ik, ‘en ze hebben nog niet eens allemaal de contributie betaald.’ Ze vond me leuk, geloof ik. Ik mocht blijven.

 

Cilla werd the girl nextdoor genoemd. Sympathiek en aardig zijn en jezelf blijven, dat vind ik nog steeds heel belangrijk. Addy is Addy en mijn jurken zijn mijn kracht. Waarom zou je in hemelsnaam pretenties hebben? Mijn klanten, hoe beroemd ook, zeggen tegen mij: ik voel me heel prettig en op mijn gemak bij jou. Ik weet zeker dat dat een belangrijke factor in mijn succes is.

 

Op de ULO zong ik in een bandje. Dat bestaat nog steeds. Om de paar jaar treden we op in Veghel en Uden. Dan zing ik nummers van Cilla Black. Ik hoop ooit een collectie aan haar op te dragen.”

 

 

Addy van den Krommenacker (Uden, 1950) is couturier. Hij begon zijn carrière in de modebranche in 1970, eerst als verkoper, later inkoper. Tien jaar later startte hij zijn eigen zaak en haalde hij merken als Gucci, Versace en Dolce & Gabbana naar Nederland. Zijn eerste ontwerpen presenteerde hij in 2002. In 2007 werd hij uitgenodigd om zijn collectie te tonen op de AltaModa haute couture-week in Rome. Het leverde hem een award op voor beste buitenlandse designer. Hij werd een jaar later gevraagd als jurylid in America’s Next Top Model en kleedde hiervoor Tyra Banks. Van den Krommenacker kleedde tientallen nationale en internationale filmsterren en andere beroemdheden. Voor onder anderen Truus van Gaal, Bettina Holwerda, Marianne Timmer en Stephanie Rijkaard ontwierp hij de bruidsjurk. Ook prinses Carolina de Bourbon de Parme droeg op haar bruiloft een ontwerp van decouturier. In de jurk was Brugs kant verwerkt dat in 1964 ook was gebruikt voor de bruidsjurk van Carolina’s moeder, prinses Irene. Vorig jaar kreeg Van den Krommenacker de opdracht van de Nederlandse modeketen Steps een collectie te ontwerpen. Bij de uitreiking van de Oscars in Los Angeles in februari verschenen zeven actrices en andere gasten in een ontwerp van Van den Krommenacker. Addy woont samen met Bas Meulenbroek.